Bij de ademhaling gaat het er om dat we voldoende zuurstof binnenkrijgen voor onze mitochondriën. Tevens moeten we koolstofdioxide kwijt. De zuurstof gaat van de longlucht via het dekweefsel van de longen naar het bloed, De koolstofdioxide gaat de andere kant uit, van bloed naar longlucht. Alle gassen die zich in de lucht bevinden, bevinden zich ook in het bloed en diffunderen dus net zo goed over het dekweefsel. De ademhaling houdt in dat we lucht naar binnen halen door een onderdruk te maken. Dit doen we door volumevergroting ofwel inademen, We blazen weer uit door het volume te verkleinen ofwel uit te ademen.


TV is de normale ademhaling, ca 500 ml
ERV uitadem reserve is wat je na een normale ademhaling nog kan uitademen,
IRV inademing reserve is wat je na een normale inademing nog kan inademen.
VC vitale capaciteit wat je maximaal kunt verversen.
RV wat altijd in je longen achterblijft (residu). Ca 500 ml
TLC totale longvolume. FRC is ERV + RV. IC is IRV + TV.
Dode ruimte
Alleen de longblaasje hebben een gaswisseling oppervlak waarmee ze gas kunnen uitwisselen met bloed. De cellen in de rest van de longen en luchtpijp geven geen zuurstof af aan het bloed. Zij vormen de zogenaamde dode ruimte omdat je ze niet mee mag tellen als functionele eenheden die gaswisseling mogelijk maken. Bij de mens is de dode ruimte ongeveer 150 ml. Lucht in de dode ruimte wordt als eerste weer ingeademd bij een inademing. Het laatste restje lucht bij een uitademing bevindt zich ook ik de dode ruimte.

Alleen de longblaasjes doen mee met de gaswisseling, de rest is dode ruimte.