Consumenten
Voortgezette assimilatie
voortgezette assimilatieFotosynthese levert een stroom van glyceraldehyde-3-fosfaat op. We noemen deze stof voortaan PGAL of G-3-P Dat is een organische stof met de formule C3H5O3P.

Deze organische stof kan vervolgens worden gebruikt om verder te gaan bouwen: assimilatie. Meestal wordt in biologieboeken gezegd dat er gebouwd wordt met glucose C6H12O6, maar dat is in feite niet waar. Het glyceraldehyde kan wel worden samengevoegd tot glucose maar ook tot andere stoffen zoals vetten. Samen met anorganische stoffen zoals nitraat en andere mineralen kan PGAL omgevormd worden tot aminozuren en nucleotiden.
Aminozuren kunnen aan elkaar worden gekoppeld tot eiwitten (translatie). Eiwitten zijn bouwstoffen, maar kunnen ook energie leveren.
Nucleotiden zijn complexe moleculen die bestaan uit fosfaat, suiker en een base.
Zij kunnen aan elkaar gekoppeld worden en zo onder andere DNA vormen.
De opbouw vanaf fosfoglyceraldehyde (of vanaf glucose) tot koolhydraten, eiwitten, vetten en nucleïnezuren zoals DNA noemen we voortgezette C-assimilatie ofwel voortgezette koolstofassimilatie.
Dieren hebben ook voortgezette koolstofassimilatie maar zijn wel afhankelijk van planten voor de beginstoffen zoal glyceraldehyde en aminozuren. Ze zijn daarom heterotroof.
De stoffen die bij voortgezette assimilatie ontstaan, kunnen worden gebruikt worden om celorganellen te bouwen, om mee te doen aan chemische reacties (als enzymen), om cel processen te regelen (DNA, RNA) of als energievoorraad (brandstof) te dienen.

Glycogeen is een koolhydraat en komt bij mensen voor als energiedrager. Amylopectine en amylose zijn ook koolhydraten en plantaardige energie leverende voorraadstoffen.
Fosfoglyceraldehyde kan omgezet worden in koolhydraten of vetten. Vetten bestaan uit glycerol en een of meer vetzuren. Vetten dienen als reservestoffen bijvoorbeeld als energiereserve en vetzuren zijn de bouwstof voor de membranen van cellen.
Zij zijn dan omgevormd tot fosfolipiden. Fosfolipiden zijn vetzuren met een polaire groep.
Bekende opslagplaatsen van vetten zijn zaden of vruchten zoals zonnebloempitten en cashewnoten. Bekende vetzuren zijn stearinezuur, palmitinezuur en oliezuur. Bij mensen is ook vetopslag onder de huid en rond organen.

De membranen rond en binnen een cel bestaan uit vetzuren, cholesterol en eiwitmoleculen.
PGAL of glucose kan ook omgevormd worden tot aminozuren (nitraat bij nodig) en ook tot de basen, die onderdeel zijn van nucleotiden. Daarvoor is de toevoeging van allerlei verbindingen nodig, @@
